LOESJE

 

'Ik ben met spoed naar huis geroepen', zegt de schoenmaker als hij tevoorschijn komt. Ik wring mij tussen een tuintafel en twee stoelen die overdag voor de winkel staan en nu al binnen zijn gehaald. De man achter de toonbank is al bezig zijn jas aan te trekken. Het is nog maar halfzes. Als ik zelf niet te laat ben, dan is het wel een ander die me het gevoel geeft te laat te zijn. Ik haal het kaartje met een nummer uit mijn portemonnee en leg het op de toonbank. Ik vraag om mijn laarzen. 'Toch niets ernstigs hoop ik?', vraag ik om maar iets te zeggen.

   De schoenmaker loopt naar achteren en ik hoor hem rommelen. Hij komt terug met keurig gepoetste laarzen met nieuwe hakken.  Ik zeg dat ik ze mooi vind. Ik vraag me af wat of de reden kan zijn dat hij werd weggeroepen. Misschien heeft hij een vrouw die moet bevallen. Is hij bezig vader te worden. Of ligt zijn vader op sterven. Of zijn moeder. Hij zegt er niets over en na het pinnen loop ik de zaak uit.

   Als ik na het boodschappen doen weer langs de fietsenmaker fiets, zie ik voor de deur een klein meisje staan. Ik stap af. Ik schat het meisje niet ouder dan zes jaar. Ze bonst op de deur, die dicht blijft. Ze roept door de brievenbus, maar de deur blijft dicht. Ze roept: ‘Pappa’, op een manier die bijna pijn doet.  Met haar handjes voor haar oogjes probeert ze naar binnen te kijken. Inmiddels is de schemering  ingevallen. Het is mistig. Ik kniel naast het kleine meisje.

   'Hoe heet je?', vraag ik.

   'Ik heet Loesje', zegt het meisje met een dun stemmetje'.

   'Wie zoek je?'

     'Ik zoek pappa. Mijn mamma is niet thuis'. Nu heb ik spijt dat ik afgestapt ben. Wat moet ik met een klein kind dat ik niet eens ken. Een kind dat ik niet eens wil kennen. Misschien kan ik met haar mee naar huis. Of bel ik de politie. Of ik kan haar meenemen naar mijn huis, met het risico dat ze dan niet meer te traceren is.

   'Waar woon je?´ , vraag ik. 'Dan breng ik je thuis en wachten we net zo lang tot mamma er is'.

Het meisje knikt, hoewel ik het vreemd blijf vinden dat haar moeder niet thuis is. Maar misschien moest de schoenmaker daarom wel weg. IK zet mijn fiets op slot en vraag of ze mij een handje wil geven. Of ze mij de weg naar haar huis wil wijzen. Ze lijkt zelfverzekerd. Doelbewust, zo klein als ze is. Na ongeveer een half uur zijn we er. Ze gaat op haar tenen staan om aan te bellen. Maar het huis is helemaal donker. Het is een alledaags rijtjes huis in een gewone volkswijk. Net als ik naast haar ga zitten, gaat de deur van de buren open. Er komt een vrouw naar buiten. Ze kijkt naar mij en naar het kleine meisje. Ze vraagt of we binnen willen komen. Samen lopen we achter haar aan. In de kamer is het lekker warm. Op de tafel staan nog etensresten van de warme maaltijd. Loesje krijgt een koekje van haar. Ze gaat in een stoel tegenover de tv zitten. De vrouw wenkt mij. Of ik even mee wil komen. Toen ze vanmiddag thuis kwam had er een ziekenwagen voor het huis gestaan. De moeder van Loesje was er slecht aan toe. Teveel drank. Meer wist ze niet te vertellen. Toen haar haar man haar had gebeld kreeg hij geen gehoor en is toen meteen naar huis gegaan. Niemand heeft nog aan Loesje gedacht.

   Ik kijk naar het meisje. Ze voelt zich hier thuis, zoveel is duidelijk. Ik krijg koffie van de buurvrouw en ze vertelt me hoe het zit met de moeder van Loesje. Dat ze herhaaldelijk veel te veel drinkt en het kind maar de straat opstuurt. Haar man is een goeie kerel, maar is niet tegen haar opgewassen. Hij doet zijn best voor het kind, maar hij is wel de hele dag op de zaak.

   Ik loop terug naar de schoenmakerswinkel om mijn fiets op te halen. Ik prent mezelf in dat het niet mijn verantwoordelijkheid is dat het meisje zo alleen was. Dat het niet eens mijn verantwoordelijkheid was om haar thuis te brengen. Haar thuis waar niemand thuis was. Ik wil me er niet eens mee bemoeien. Toch heeft het kleine meisje zich in mijn hoofd genesteld. Het zal lang duren voor ze er uit zal verdwijnen.

 

  

 

 

 

    

TE LAAT

Het kijken naar sport is niet zo besteed aan mij. Kijken hoe een ander wint met een tijd die je alleen maar theoretisch kunt bevatten. En dat je daar dan jaren voor moet trainen. Jaren van je leven voor een paar luttele minuten? Maar ja, een honderdste seconde kan net het verschil maken of je goud of zilver wint. Of dat je net niet een medaille wint. Het verschil tussen een winner of een loser.

   In andere gevallen kan een minuut aan tijd heel veel verschil maken. Zoals mij afgelopen week nog overkwam. Ik had besloten om met de trein naar Utrecht te gaan om het Centraal Museum te bezoeken. Toen ik aankwam bij het poortje zag ik de trein vertrekken. Hij vertrok zonder mij. Ik kon hem nog na zwaaien. Alleen zou er niemand zijn die dat zag. Terug naar huis was geen optie. Dan maar kijken bij de Ako. Boeken kijken blijft leuk. Of tijdschriften. Af en toe keek ik op mijn telefoon om de tijd in de gaten te houden. Na een kwartier stond de volgende trein er al en kon ik instappen. Voorlopig zat ik goed. Het was lekker warm, ik zat in de eerste klas en had mijn e-reader bij mij. Tot Hengelo ging het goed. Maar het viel op dat de trein wel erg lang stilstond. Eerst werd er omgeroepen dat er een incident op het perron was, waardoor de trein niet verder kon. Maar het duurde wel erg lang. De volgende mededeling was dat er een aanrijding was met een persoon en dat we allemaal uit moesten stappen. De conducteur klonk aangeslagen. Er reden ook geen treinen terug. Maar ik kwam vrienden tegen die ook gestrand waren en naar Schiphol moesten en ze waren niet de enigen. Het was de vraag halen we het vliegtuig of halen we het niet. Op deze overmacht was niemand voorbereid. Toch bleef iedereen rustig. Nadat een aantal mensen koffie had gehaald, werd er omgeroepen dat er gratis koffie te verkrijgen was. Er werd daar door een NS medewerker zelfs een taxibusje geregeld om mensen naar Schiphol te brengen.

   Inmiddels was de eerste trein die zou vertrekken die naar Zwolle en ik besloot die dan maar te nemen. Het was best een aangename reis. Maar daarvandaan kon ik niet rechtstreeks naar Utrecht, maar moest eerst met een bus naar ’t Harde en vandaar naar Utrecht. Er stond een trein klaar en ik stapte in. Na ongeveer een kwartier vertrok die richting Utrecht. Daar zou ik de bus pakken naar het Museumkwartier. Bus 2. Deze bussen rijden om het kwartier volgens de dienstregeling, maar wat er ook gebeurde, er kwam geen bus 2. De zon scheen door het glas van het bushokje, waardoor het bijna prettig aanvoelde ondanks de vrieskou. Twee vrouwen die kennelijk in de buurt woonden, zo te horen hadden het over het nieuwe station.

  ‘Nou, als het klaar is dan groeit er al lang gras op mijn buik’

   ‘Zeg dat wel en al die tijd zitten we maar mooi in die rotzooi’. Het gesprek kabbelde een beetje voort op deze toon en nog steeds kwam er geen bus 2. Er kwamen nog twee meisjes wachten bij de bushalte. Maar ook dat hielp niet. De bus kwam niet. Ik vroeg nog aan een buschauffeur hoe het zat. Hij wist van niks.

 

‘Er zijn een heleboel bussen uitgevallen’, was het enige wat hij zei. Daar kon ik het mee doen. Terug naar het station. De trein naar Enschede was al vertrokken. Slechts vijf minuten geleden. Met een aanbiedingsbon van Kiosk kocht ik koffie en een koek. Het dekseltje paste er niet goed op waardoor ik de hete koffie dwars door mijn handschoenen over me heen kreeg. Met beker en al toch maar even de Hema ik om warm te blijven. En toen naar de Ako. Daarna naar het perron van vertrek. De terugreis verliep goed. Wat bijna meer regel dan uitzondering is. Maar ik had mij de dag anders voorgesteld. Die ene minuut had grote gevolgen. Gevolgen die niet langer zouden  duren dan één dag. Korter dan bij sporters het geval is. Maar zij moeten er dan ook jaren voor trainen. 

OMA

Haar ogen zijn zwart opgemaakt, waardoor het contrast met haar grijsblonde haar nog groter is. Ze draagt een gifgroene jurk, gele sandalen en een groengele tas, die ze op haar schoot  met beide handen omklemt. Als de jongen naast haar uitstapt houdt ze de tas nog steeds stevig vast. Alsof hij een vast onderdeel van haar is geworden, zoals handen dat zijn of benen. Af en toe strijkt ze met haar vingers over het leer, wat door de naar binnen schijnende zon nog meer glans krijgt. Pas bij het volgende station komt er een man  met een kind tegenover haar zitten. Ze kijken elkaar een fractie van een seconde aan, voordat de man en het kind gaan zitten. De trein rijdt het station van Amersfoort uit en gaat verder in de richting van Schiphol. Ik vraag me af wat de relatie is van die twee. Hij lijkt te jong voor opa en te oud voor vader. Maar dat zegt natuurlijk niets. Hij pakt een boekje uit zijn rugzak, waar slijtgaatjes in zitten. Hij slaat een willekeurige bladzijde op en gaat zonder iets te vragen het kind een verhaaltje over muizen voorlezen. Maar het jongetje heeft geen interesse in muizen. Heeft geen interesse in het verhaal.  Hij kijkt naar buiten met zijn gezicht bijna tegen het raam geplakt. Hij ziet alles voorbij zoeven, de bomen, de huizen met hier en daar een kerktoren, vliegtuigen en in de verte soms auto’s. Pas als het boekje uit is, slaat de man het dicht. Dan kijkt hij naar de vrouw. Alsof hij goedkeuring wil vragen. Misschien vond zij het verhaal wel mooi. Was zij zijn publiek. De enige toehoorder. De vrouw glimlacht naar hem. Het kind kijkt nog steeds uit het raam.

   ‘Kijk pappa, een vliegtuig. Gaat dat naar de hemel?’

   ‘Nee, zo hoog gaat die niet he. Het vliegtuig gaat naar het vliegveld. Daar komen alle vliegtuigen bij elkaar’.

    ‘O, jammer. Maar als opa in de hemel is, dan kan het vliegtuig er toch naar toe?’

    ‘Nee, vliegtuigen kunnen niet zo ver vliegen hoor’.

   ‘Maar een raket toch wel?’

   ‘Misschien, maar dat duurt dan heel veel jaren, zo ver is het’.

Het jongetje luistert al niet meer. De trein nadert Hilversum. Op het perron is er genoeg te zien voor hem. Mensen die de trein uitgaan en  mensen die er binnenkomen. Het fluitje van de conducteur als de trein weer gaat vertrekken.

   Plotseling wendt de man zich tot de vrouw met de gekleurde jurk. Hij zegt: ‘U bent vast oma’.

   ‘Ja, maar hoe weet u dat?’

   ‘Ik weet dat gewoon. En nu wilt u natuurlijk weten hoe ik dat weet he?’

  De vrouw buigt zich iets naar voren. Misschien is ze nieuwsgierig naar wat de man te zeggen heeft. Al die tijd heeft ze niets gezegd. Heeft ze geluisterd naar het muizenverhaal, heeft ze geluisterd naar het jongetje, heeft ze naar hem gekeken alsof het haar eigen kleinzoon was.

,Ja, ik wil dat best weten ’, zegt ze dan.

 ‘Weet u’, en bij deze woorden buigt de man iets naar voren. ‘Ik kan dat  zien. Ik kan dat zien aan de manier waarop u uw tas vasthoudt. Hoe u uw tas op uw schoot houdt. Op dezelfde manier waarop u een kind zou vasthouden. Stevig en voorzichtig. Zo doen alle oma’s dat’.

   ‘Is dat zo? Dat wist ik niet. Maar ik vind het wel grappig dat u dat zegt’.

Bij deze laatste woorden laat de haar tas een beetje vieren. Houdt ze hem wat losser vast. Ik weet niet of dat door de woorden van de man komt, of dat Schiphol in zicht is.

 

 

 

 

OORDOPJES

 

‘Mag ik naast u zitten? Ik rij liever niet achteruit’. Zonder het antwoord af te wachten gaat hij naast de vrouw zitten.

   ‘Wat let u, plek genoeg ’zegt de vrouw.

De man heb ik goed in beeld. Lang, sluik haar en bril. Ik schat hem eind veertig. De vrouw valt buiten mijn gezichtsveld. Ze zit achter de stoel voor mij. Aan haar stem te horen is ze jonger dan hij. Al snel blijkt dat ze beiden in Haarlem wonen. Dat schept een band. Ik verbaas mij erover hoe snel ze het over uiterlijk hebben. Dat mensen tegenwoordig zo slecht gekleed gaan. Dat ze vergeten dat anderen ertegenaan moeten kijken. Dat kleding ook iets zegt over je persoonlijkheid. De man vraagt of zij psychiater is. Wat ze vervolgens bevestigt. Ze is in ieder geval in staat om een gesprek gaande te houden. Om vragen te stellen. Om de man te bevestigen in zijn ego. Of gewoon de tijd gezellig door te brengen..

   De man krijgt een bliepje op zijn telefoon en zegt dat het zijn zoon is die op wereldreis is. Hij houdt een vlog bij. En of zijn medereizigster wel weet wat een vlog is? Alvorens het antwoord af te wachten begint hij uit te leggen. Dat het een blog is maar dan met beelden. De vrouw vindt het op voorhand al geweldig. Dat je zo contact houdt met je zoon. De man knikt bevestigend. Het gesprek gaat vervolgens over muziek en alle evenementen die er op stapel staan en die al geweest zijn. Het is bieden en loven. Zo vertelt de vrouw langs haar neus weg dat ze ooit bij een concert van Miles Davis was. Ze had kaarten gekregen van een relatie. Nu kan de man niet achter blijven en zoekt op zijn telefoon een muziekstukje  op wat hij haar laat horen. Het is vast een beroemd stuk. Alleen ik kan het niet thuis brengen. Maar evenals het wonen in dezelfde stad schept muziek ook een band. Misschien nog wel een veel hechtere band.

Maar dat gaat niet voor iedereen op. Een vrouw aan de andere kant van het gangpad gaat zich er mee bemoeien.

   “Hier zijn oordopjes voor’, zegt ze op scherpe toon, terwijl ze met een groots gebaar op haar eigen oordopjes wijst. De man blijft rustig en legt uit dat het maar heel even is dat hij iets wil laten horen. Even later zie ik hem opstaan. Hij gaat naar de vrouw met de oordopjes.

   ‘U heeft volkomen gelijk. Ik had dit niet moeten doen. Mijn excuses’.

De vrouw accepteert zijn excuses. De man is verder gestegen in zijn eigen achting. Als de trein stopt, stapt de vrouw uit waar hij al die tijd naast heeft gezeten. Ik moet er hier ook uit. Even later zie ik haar op een bankje zitten. Ik schat haar op halverwege de veertig. Ze heeft witte benen met knokige knieën en knalrode nagels in afgetrapte sandalen. Ze draagt een meisjesachtige rode bloemetjesjurk. Nee, ze ziet er niet uit als een psychiater. Maar dat doet er uiteindelijk helemaal niet toe. Ze heeft een interessant gesprek gehad en vervolg t nu haar reis. Op naar een volgend gesprek.

 

.

 

 

COMPUTERLOOS

Mijn nicht zit tegenover mij in het restaurant als ik haar mailadres vraag.

   ‘Ik heb geen computer’, zegt ze met een stalen gezicht.

Ik kijk haar meewarig aan.

     ‘En hoe doe je dat dan als je een reis gaat boeken, rekeningen moet betalen of informatie wilt hebben?’

   ‘Gewoon zoals ik dat altijd heb gedaan’.

    ‘Hoe heb je dit restaurant eigenlijk gevonden?’, vraag ik mijn nicht. ‘ Dat lijkt me lastig zonder internet. En dan, je moet ook reserveren. Hoe doe je dat allemaal?’.

   Nu kijkt zij mij meewarig aan.

    ‘Wat dacht je, heb je weleens van de telefoon gehoord? Dan zoek je in het telefoonboek bij de ‘R’ van restaurant. Hoe moeilijk kan het zijn’.

   Ik denk aan al die keren dat ik de computer het liefst uit het raam had willen gooien na de zoveelste foutmelding. Aan al die uren doelloos surfen. Aan al die overbodige mails die iedere dag mijn tijd opslurpen. Aan al die informatie waar ik niets mee doe.

   Volgens mij moet je heel veel tijd over houden. Of je mist gewoon heel veel’.

   ‘Volgens anderen mis ik veel. Ben ik bijna van de wereld afgesloten. Ze vinden mij soms een zonderling. Misschien ben ik dat ook wel. Maar je weet dat ik graag lees. Ik heb daar tenminste tijd voor. Zonder mij zou de plaatselijke boekhandel allang failliet zijn’.

   Ik weet zeker dat ik dat niet kan, afhankelijk als ik ben.  Ik denk aan mijn voormalige vriend die ik heb leren kennen via internet en dat mijn vader vroeg of ik hem had leren kennen van ‘dat apparaat’. Nog niet zo lang geleden was ik nog verslaafd aan Funda, toen ik een ander huis zocht.

   Toen ik twintig jaar geleden mijn eerste computer kocht vroeg de verkoper wat ik wilde met die pc. Of ik ook gebruik wilde maken van internet. Maar wat moest ik daarmee. Het was zoiets als een betonmolen kopen om een enkel muurtje te metselen. En dan moest je ook nog inbellen, wat veel tijd kostte en ook de telefoonkosten konden behoorlijk oplopen. Maar dat internet kwam er wel.

   Als het eten wordt gebracht zet ik mijn telefoon uit. Er gaat niets boven persoonlijk contact. Mijn meewarigheid is veranderd in respect. Respect voor iemand die haar eigen weg gaat en zich niet laat leiden door alles wat er om haar heen gebeurt. Ze kan zich prima handhaven. Ik overweeg een computerloze maand in te lassen. Zoiets als anderen doen door een maand geen alcohol te gebruiken. Hoewel ik bijna zeker weet dat ik er morgen anders over denk.

 

 

 

SELFIE

 

Op een klein fotootje met een wit, gekarteld randje staan mijn vader en moeder. Daarnaast mijn oom Koos, tante Bep, neef en nicht en mijn zussen en ik. Het zal rond 1954 geweest zijn. Achter ons is nog de bungalow te zien, die mijn ouders hadden gehuurd. Mijn jongste zus heeft een stok in haar hand. Mijn moeder en mijn tante dragen bloemetjesjurken met wijd uitwaaierende rokken. Wij, de kinderen dragen kampeerbroekjes, zoals mijn moeder die noemde. Mijn neef en nicht staan naast hun moeder. Ze hebben allemaal hetzelfde haar: rood en krullend, hoewel dat eerste niet te zien is op de foto.  

De bungalow staat in een dennenbos in Leersum. Als ik goed naar de foto kijk, ruik ik de dennengeur en hoor ik de stemmen van mijn oom en tante. Zij was een goedlachse vrouw en vlot met haar mond. Vergeleken met haar waren mijn neef en nicht sloom te noemen. Mijn oom was een ambtenaar van het rustige type en met een soort onderkoeld gevoel voor humor. Hij was de lievelingsbroer van mijn moeder. Ik kan op de foto zien dat ze het naar haar zin had. Ze hield ervan om mensen uit te nodigen. Ze hield van gezelligheid. Ze hield van praten en was dan ook graag aan het woord. Mijn vader staat wat achteraf. Zo te zien kijkt hij in de verte naar het bos, de vogels en de blauwe luchten. Hij was graag alleen. Om zijn nek hangt een verrekijker. Die had hij bij elkaar gespaard door een paar maanden niet te roken.  

Het allermooiste vond ik hoe de foto was gemaakt. Eerst moesten we allemaal zo gaan staan, dat we op de foto pasten. Mijn oom had een statief bij zich en maakte daar een fototoestel aan vast. Hij had het allemaal met de trein meegezeuld. Ze hadden geen auto. Dan bukte mijn oom en keek hij door de lens of het allemaal klopte. Mijn vader moest wat naar voren komen. Mijn zusje mocht op de voorste rij omdat zij de kleinste was. We moesten allemaal naar een denkbeeldig vogeltje kijken. Pas toen hij helemaal tevreden was drukte hij op een knopje. Dan rende hij naar voren, nam plaats naast mijn tante en toen was het KLIK. De foto, de magische foto, was gemaakt. Mijn oom had een foto gemaakt waar hij zelf ook op stond. Misschien wel de allereerste selfie.

 

 

 

 

 

 

TROTS

Ze zit schuin tegenover mij in de trein. Haar jas is te dun voor de tijd van het jaar. De ruimte rondom haar linkeroog  is groen, blauw, paars en geel. Niet alleen hierdoor valt de vrouw mij op. Het is vooral haar houding. Het is kaar kaarsrechte rug die mij opvalt.  Als ze al geslagen is, dan is ze in ieder geval niet verslagen. Het bewijs zichtbaar tonen vergt moed. Ze is geen slachtoffer maar heldin. Ondanks dat vraag ik me af wie haar dader is. Wie een teken op haar huid wil achterlaten. Is het hierom dat ze trots is, dat ze niet wil toegeven aan de wensen van die ander, die ander die haar wil kleineren, die haar naar zijn hand wil zetten en die feller wordt naarmate zij zich verzet. Is dit een daad van huiselijk geweld? Moet ik bellen naar dat nummer dat dagelijks onze huiskamer binnenkomt?

   In gedachten geef ik haar een naam: Anna. Als ik mij afvraag waar ze naar toe gaat, stapt er een klein jongetje in aan de hand van zijn moeder.  Ze nemen plaats tegenover de vrouw. Het jongetje kijkt haar aan met grote ogen.

   'Heb jij au aan jouw oog?' vraagt hij. De vrouw glimlacht naar hem. Ze kijkt even om zich heen en fluistert iets in zijn oor. Zo onopvallend mogelijk probeer ik mee te luisteren, wil ik haar verhaal horen, haar betekenis geven.

   'Het is een cadeautje van mijn zoon. Maar niet verder vertellen hoor'.

   'Mag ik eraan voelen?'

Even lijkt het of de vrouw van haar stuk is gebracht. Ze kijkt naar de moeder en zegt:

   'Ja, kom maar even naast me zitten, maar eerst wil ik weten hoe jij heet'.

   'Ik heet Dennis' zegt hij en dan zit hij al naast haar. Met zijn vingertje strijkt hij over de wang van de vrouw en zo naar boven onder haar oog en verder naar boven.

   'Mag ik er een kusje op geven?'

   ´Jij mag dat', zegt de vrouw. Het jongetje pakt haar stevig vast en drukt voorzichtig een kusje op de blauwe plek. Ik zie het gezicht van de vrouw vertrekken. Haar ogen glanzen.

   ' Wat een lief jongetje', zegt ze tegen de moeder. 'Wees er zuinig op. Voor je het weet zijn ze groot en zijn ze je de baas. U zult wel denken, dat gebeurt mij niet. Dat heb ik ook altijd gedacht'.   

    De vrouw buigt zich nu verder naar voren. Ik kan nauwelijks meer horen wat ze zegt, maar uit de weinige woorden kan ik wel opmaken waar het over gaat. Het gaat over haar zoon. Haar zoon die haar besteelt. Haar zoon die haar slaat. Haar zoon, die ze uit huis heeft gezet. Haar huis. Het is haar schaamte die ze aan het ontstijgen is.

   Als ze de volgende halte uitstapt, drukt ze vluchtig een kus op het hoofdje van de jongen.

  

 

  

 

 

TRANEN

Ze is precies haar moeder, zoals ze daar staat. Hetzelfde gezicht, maar dan jonger en voller. Ze gooit haar hoofd achterover om haar weerbarstige krullen uit haar gezicht te houden. Haar stem klinkt krachtig en ik kan mij met geen mogelijkheid meer voor de geest halen hoe ze toen was. Als baby. Toen ik haar voor het laatst heb gezien.

   Voorin de aula wordt de film uit haar jeugd getoond. Schokkerige beelden in zwartwit. Beelden van een rommelige huiskamer waarin Aagje, de moeder van Ellen telkens een jaar ouder is en elk jaar kleedt ze weer een andere baby aan. Ellen vertelt met heldere stem wat haar moeder voor haar heeft betekend. Ze was een moeder van verdelen en heersen. Een moeder van negen kinderen. Een moeder die de wind er goed onder had. Door haar sterkte maakte ze haar kinderen zwak en daarmee onzeker. Ze leerden niet er voor elkaar te zijn. Naar de buitenwereld speelden ze het ideale gezien. Altijd keurig gekleed en gekapt zaten ze elke zondag in de kerk. Zij had weliswaar hetzelfde kapsel als haar broers, maar dat terzijde. Dat kan bijna niet anders als je vader herenkapper is. Af en toe klinkt er gelach, een lach van herkenning. Ze was ook een moeder die getekend is door de oorlog. Een moeder die haar verloofde heeft verloren, vlak voordat ze zouden trouwen. Toen ze haar verloofde opzocht in het ziekenhuis viel ze flauw van de ziekenhuislucht. Ze was er niet bij toen hij stierf. Tot op de dag van vandaag staat ze nog als zijn verloofde naast zijn naam op de grafsteen. Ergens ver weg in Groningen. Dat haar moeder op het laatst van haar leven lief was en haar kinderen toen pas knuffelde, doet al het andere niet meer vergeten.

   Als Ellen uitgesproken is, vraagt ze haar broers en zussen, zwagers en schoonzussen naar voren te komen om samen een lied te zingen. Met dezelfde voortvarendheid als haar moeder dat ook gedaan zou hebben. Ik zie geen tranen. Geen zichtbaar verdriet. Het afscheid was er al jaren geleden. Hun moeder woonde niet meer in haar lichaam.   De dominee houdt een preek, die in weinig verschilt van preken die ik eerder gehoord heb. Een preek waarvan je kunt zeggen: ‘mooie preek’, maar waar ging het eigenlijk over? Het blijft abstract wat hij zegt. Want wat moeten we ons voorstellen bij de dood? Wat betekent het om het leven te vieren? Het blijft voor mij zo afstandelijk, terwijl mijn hoofd vol zit met herinneringen aan vroeger. Aan de tijd dat de oudste dochter Emma en ik vriendinnen waren en altijd de zondagavonden bij elkaar kwamen. Ik genoot in stilte van het grote gezin en zij van ons  gezinnetje waar ze zo welkom was. Soms deden we spelletjes of zij speelde piano en dan zongen we samen. Ik was stiekem verliefd op haar oudste broer. Het was een knappe jongen. Ik heb het nooit laten merken, verlegen als ik was. Toen Ellen werd geboren waren Emma en ik allebei zeventien jaar. We gingen de verpleging in, we verlieten het ouderlijk huis. Wat achter ons lag zou niet meer terugkeren.

   Als oudste zoon heeft Lucas het laatste woord.  Ik herkende hem nauwelijks meer. Wat een confrontatie wat de jaren met je kunnen doen. Hij is nu zijn vader, een halve eeuw geleden.

We gaan op een teken van de begrafenisondernemer naar het graf. Niemand huilt Niemand snottert. Het is gaan regenen en het is koud. Koud als de dood. Koud als de winter. De dominee leest het ‘Onze Vader’. De begrafenisondernemer houdt een paraplu boven zijn hoofd waarin het logo van Yarden duidelijk is te zien.  Langzaam loopt de stoet langs het graf voor een laatste groet en weer terug naar de aula. Er is koffie en er zijn broodjes. Het is nog even gezellig napraten. Nog even samenzijn. Moeder Aagje zou genoten hebben.

 

 

BARBIEPOP

 

Dave kijkt op zijn horloge. Alsof dat de tijd doet krimpen. Hij zit alleen in de wachtkamer. Het is er koud. Foto’s van dieren met ontblote tanden grijnzen naar hem vanaf de muren.  In de hoek staat een tafeltje met tijdschriften uit een leesportefeuille. Uit een luidspreker klinkt zachtjes muziek, die hij moeilijk kan definiëren. Het snerpende geluid van de boor gaat daar overheen en dringt dwars door de deur. Straks is hij aan de beurt.

   Dan valt zijn oog op een klein voetje dat onder het tafeltje uitsteekt.  Een huidkleurig stukje been met een smal voetje. Hij kijkt om zich heen maar ontdekt geen camera's. Geen meedogenloos registrerende ogen. Niets te zien. Nu moet hij snel zijn. Er gaat een rilling door hem heen als hij aan het voetje trekt. De bijna naakte barbiepop is nu helemaal zichtbaar. Ze vertoont zich in al haar glorie met alleen een pietepeuterig slipje met bijpassend behaatje. Snel grijpt Evert de pop bij haar benen. Lange benen zijn het, zoals alleen barbies die hebben. Hij streelt over haar borstjes en over haar strakke billen.  Even vergeet hij de tijd. Dan steekt hij de barbiepop in zijn jaszak, precies op het moment dat de assistente hem komt halen.

   'Meneer Grijpstra komt u maar', zegt ze en houdt de deur voor hem open. Haar mondkapje hangt als een overbodig dingetje onder haar kin. Dave strijkt over de bolling van zijn jas, over zijn geheim en volgt haar. De pijn in zijn kies is nu al minder. Hij gaat in de stoel zitten op uitnodiging van de tandarts, die hem heerlijk achterover laat zakken.

   'Doet u uw mond maar open', zegt de tandarts en heeft al een tangetje met een haakje eraan in zijn hand waarmee hij Daves mond inspecteert. Het haakje wringt zich gemeen in zijn tandvlees. Dave doet zijn ogen stijf dicht. Dat helpt hem. Aan iets anders denken. Pijn anders benaderen. Pijn is fijn. Hij strijkt nog even over zijn jas. Op de plek waar hij de Barbie weet. De pijn is nu bijna verdwenen.

   ‘Een klein gaatje maar’, zegt de tandarts en trekt zijn blauwe gummihandschoenen uit, terwijl hij met zijn voet de stoel weer omhoog pompt.  Dave mag zijn mond spoelen.

   Voordat Dave de auto start, haalt hij de Barbie uit zijn jaszak.  Hij betast haar en ruikt de geur van babyzeep. Hij vindt haar mooi. Was Paula ook maar zo mooi. Zo slank met hoge hakken en strakke billen. Ze is al een eind op weg. Zoals ze er laatst uitzag, met haar rood aangezette lippen komt ze al aardig in de goeie richting. Veertig kilo weegt ze nu.

   Voordat hij wegrijdt stopt hij de Barbie weer in zijn jaszak. Paula mag haar niet zien. Ze is van hem. Zijn kleine Margootje. Zijn geheime minnares.

   Onderweg koopt hij bloemen voor Paula. Rode rozen. Hij schrijft op het kaartje: 'je bent mooi en voor altijd mijn meisje'.

   

 

 

 

HET KAMMETJE

PROOST

Met veel moeite bukt hij zich om het kammetje met dunne sprietjes haar op te rapen. Op de tast maakt hij een scheiding in zijn haar. Aan de rechterkant, zoals hij dat zijn hele leven al heeft gedaan. Sjaan vond dat altijd saai en ze haalde hem steeds over om  naar een andere kapper te gaan.  Een modernere kapper. Maar hij had dat niet nodig gevonden. Zonde van het geld. En nu was ze dood. En nog steeds trekt hij zorgvuldig een scheiding in zijn haar. Voor het slapen gaan, na het douchen  's morgens en zoals nu in het zwembad. Als hij klaar is duwt hij het benen kammetje weer terug in het zijvakje van zijn tas. Hij haalt een fles lotion tevoorschijn. Er staat op het etiket dat het de huid verstevigt. Zorgvuldig begint hij zich in te smeren, beginnend bij zijn voeten, dan zijn benen en  verder naar zijn knieën, zijn dijen en nog verder naar boven, zijn buik, zijn rug voorzover hij daar zelf bij kan, zijn armen en handen. Als hij even opzij kijkt ziet hij twee vrouwen op leeftijd naar hem kijken. Hij ziet en hoort ze  lachen. Ze zijn nota bene van zijn eigen leeftijd of in ieder geval  de zestig gepasseerd. Wat denken ze wel. Of zouden ze hem leuk vinden. Hij kijkt omlaag. Er zou wel wat vet op zijn benen kunnen. Hij moet eraan denken om zijn buik in te trekken Misschien zou hij eens een andere zwembroek moeten kopen. Deze is minstens  tien jaar uit de mode volgens Sjaan. En dan zal het wel zo zijn. Vlug trekt hij zijn badjas aan en doet de fles lotion terug in zijn tas. Met opgeheven hoofd loopt hij naar de deur met een grote H. Hij neemt een warme douche en verheugt zich op de avond die komen gaat. Wat hij nooit had gedacht gaat vanavond gebeuren. Hij gaat daten. Op zijn leeftijd is hij op vrijersvoeten. Inwendig moet hij lachen. Hij zou het Sjaan moeten vertellen. Ze zou zich heimelijk verkneukelen. Sjaan die altijd zo zeker was van zichzelf. Die altijd zo zeker was van zijn trouw aan haar. Eigenlijk voelt het ook een beetje als ontrouw. Maar op haar sterfbed had ze gefluisterd tegen hem: 'Jij bent geen man om alleen te zijn'.

   'Zie je dat?' Dory stoot haar vriendin aan.  'Zo'n oude man. Denkt vast dat hij aan het strand zit. Moet je zien, hij smeert zich helemaal in. Straks vraagt hij nog of we zijn rug willen insmeren. En dan die zwembroek. Uit het stenen tijdperk als je het mij vraagt'.

   'Ik zou maar niet te hard oordelen’, zegt Jane. ‘ Wie heeft er een date vanavond? Die zal niet veel jonger zijn dan hij.  Denk  je dat jouw afspraakje er beter uitziet zonder kleren? Kijk maar eens goed. Je kunt je nu nog bedenken. Of een smoes verzinnen´ .

   'Wat denk je wel van me? We gaan gewoon een hapje eten hoor. Verder niks. MIsschien is het wel een heel interessant iemand'.

   'Als hij net zo om mode geeft als onze vriend hier, dan hoef je je geen zorgen te maken over wat je aantrekt'.

   'In ieder geval verzorgt deze man zich goed. Maar ik ga me aankleden. Dan ben ik in ieder geval op tijd vanavond'.

    Peter is als eerste in het restaurant. Hij gaat achterin zitten aan het tafeltje dat hij heeft gereserveerd. Van hieruit heeft hij overzicht op de hele ruimte. Er komt een ouder echtpaar binnen. De man houdt de deur voor zijn vrouw open. Hij neemt haar jas aan voordat ze gaan zitten. De ober brengt de kaarten en dan zijn ze allebei verdiept in hun kaart. Alsof ze hier alleen zijn. Alsof ze niet bij elkaar horen. Alsof ze alleen in hun eigen wereld leven. Bij het volgende echtpaar herhaalt het ritueel zich.  Met Sjaan is het anders geweest. Hij weet het zeker. Sjaan had zon in zijn leven gebracht. Hij vraagt zich af hoe het straks zal gaan. Met een vreemde vrouw. Met een heel andere vrouw. Als hij opkijkt ziet hij haar binnenkomen. Eerst de contouren van haar lichaam. Ze kijkt om zich heen alsof ze verdwaald is. Dan ziet ze hem. Even aarzelt ze.

   Dory staat voor haar kast. Ze vindt het moeilijk om een keus te maken. Stel dat hij heel sjofel is gekleed en zij gaat op chic. Het moet iets neutraals zijn. Ze kiest uiteindelijk voor een zwarte lange broek en een zwarte trui erover. Een rode blazer en zwarte laarsjes maakt ze haar outfit compleet. Ze mag tevreden zijn. Gekleed en zakelijk tegelijk. Ze doet wat parfum op, niet teveel om hem niet af te schrikken. Het is voor het eerst na haar scheiding dat ze het aandurft om  met een man uit te gaan. Vanmiddag in het zwembad werd ze niet vrolijk van die oude man met z'n kammetje en zijn lotion. En dan die zwembroek. Ze moest daar doorheen prikken had Jane gezegd. Maar wie weet wat voor man straks op haar zit te wachten.

   Het is zeven uur als ze in haar auto stapt om prompt half acht het restaurant binnen te stappen. Ze kijkt om zich heen langs de vele tafeltjes met alleen maar echtparen lijkt het. Tot ze helemaal achterin een man alleen ontwaart. Hij kijkt op van de kaart. Hij kijkt naar haar. Hij kijkt recht in haar gezicht. En dan ziet ze het. De man die daar zit aan het tafeltje is de man van het kammetje. Van de lotion en de te kleine zwembroek. Ze blijft staan. Hij draagt een rode trui. Toegegeven die staat hem goed. Maar ze blijft de man zien in zijn zwembroek. Met van die witte spillebenen eronder. Ze draait zich om en rent  langs alle tafeltjes met echtparen. Buiten haalt ze diep adem. 

   Peter wenkt de ober en bestelt een whiskey. Hij praat zachtjes in zichzelf: 'Lieve Sjaan, er kan niemand aan jou tippen. Proost'.